Mens erger je niet. Strategieën om om te gaan met kleine en grote ergernissen

Ik wil ze niet horen, maar ze zijn alom tegenwoordig. De ergerlijken. Ze komen op tv met hun ergerlijke kop of verknoeien mijn ochtendhumeur met hun ergerlijke gezwets op de radio. Mijn koffie staat nog maar net shaken not stirred op tafel te dampen, of ze beginnen al met doemberichten om mijn oren te slaan. De economie doet het slapjes, het onderwijs moet inleveren, de koffie wordt duurder en de paus verbiedt het gebruik van condooms. De hele dag komen ze vanuit hoeken en kieren op me afgesprongen. Ze sabbelen aan mijn zenuwen alsof het slierten spaghetti zijn. Ze zeuren aan mijn kop tot mijn hersenvlies ervan trilt. Zelfs als ik in gedachten allang krijsend ben weggelopen, staan ze nog te kwebbelen. Terwijl ik glimlachend naar ze luister en enkele platitudes oprisp, verlaat mijn geest mijn lichaam en blijft ergens hoog in een hoek van het plafond hangen.

Vaak weet ik maar nauwelijks te ontsnappen aan moord en een lichte gevangenisstraf wegens eerste vergrijp. Maar ik laat ze levend vertrekken, elke keer weer, opgelucht dat ze op weg zijn naar hun volgend slachtoffer. Ik sla ze niet de kop in. Nee: ik blijf beleefd tot ik tegen het plafond plak.

Misschien heeft het ermee te maken dat ik in de vijftiger jaren opgevoed ben. In een tijd dat dr. Spock (nee, niet die van Startrek) nog niet tot in onze contreien was doorgedrongen. Wij moesten beleefd zijn, met twee woorden spreken en we vlogen terug naar de coiffeur als onze bros te lang was. Zulke opvoeding kruipt niet in je kleren. Ze zit op je schouders als een gier, een sprekende dan, met een kale nek en van die bloeddoorlopen oogjes. Ze zegt: 'Zit recht. Spreek met twee woorden. Zwijg als de grote mensen spreken!' Ze zegt ook 'Doe dat haar uit uw ogen, denkt ge dat ge schoon zijt?' en 'De minister van Gezinszaken, neemt daar een voorbeeld aan. Dat is een schoon christelijk mens met kort haar.' Door de invloed van de gier doe ik eigenlijk geen vlieg kwaad. Letterlijk dan. Vliegen vang ik door ze zacht met mijn handpalmen te omsluiten. Vervolgens zet ik ze, als het niet te hard regent, buiten. Een vlieg die je ergert kan je buiten zetten. Met mensen werkt dat niet. Het is vaak gemakkelijker om zelf buiten in de regen te gaan staan.

Ik tracht me soms tegen ergernis te verzetten door ze te analyseren. Ben ik immers geen animal rationalis? Het beest van de ergernis heeft vele gedaanten, denk ik dan. Het komt in de gedaante van de grote ergernis en dat is de minst erge. Tegen groot kwaad kun je immers niet veel doen. Zelfs de Almachtige niet, als die er mocht zijn. Maar Hij is er niet, of hij trekt zich geen fluit van zijn schepping aan. En als hij er wel is, dan zit hij op de bank en speelt niet mee. Wat kan ik dan, little me, doen aan milieuvervuiling, overbevolking en normenvervaging? Ik ben eigenlijk meer beducht voor die andere gedaante waaronder het beest zich manifesteert. Dat zijn de kleine ergernissen. Zij krijgen je eronder. De dingen die tegen je beginnen te revolteren: de tube tandpasta die in je hand barst, de vork die je drie keer achter elkaar laat vallen, de koelkast die druipt, de zekeringen die springen, je vrouw die opstapt of de koffie die niet doorloopt als je gehaast bent. En zo kan ieder voor zich een lijstje maken met dingen die hem of haar elke dag opnieuw ergeren.
Nee, de dingen analyseren en benoemen lost niets op. Dat weet ik glashelder sinds de tijd dat ik in mijn met blauwe franje omzoomde wieg lag te kwelen om pap. P-AAAA –P! Het was mijn eerste woord, maar mijn eerste woord, mijn eerste stap op de maan, mijn doorbraak, werd volkomen genegeerd. Ook mijn tweede woord F-A-S C-I-S- T -E-N ! slaagde er niet in om mijn ouders van het nieuwe televisietoestel weg te lokken. Later vernam ik dat ze ter plekke (tijdens het weerbericht) mijn jongere zus verwekt hadden. Wat een latere bron van ergernis zou worden. Zij was immers een meisje en ik een jongen.

Nee, ergernis kan je niet met denken te lijf gaan. Een gezondere reactie is gewoon vluchten. Dat doe ik tenminste. Ik ben een escapist pur sang (klinkt beter dan 'lafaard' of 'zak' in elk geval.) Dat de wereld een door GOD verlaten plek is, drukt ons soms zwaar. Soms willen we onze kop in de grond steken, ons bezatten of wat dan nog, om maar niet elke dag weer dezelfde lapzwansen te zien. Natuurlijk moet je vluchten. Die dagelijkse belegering van onzin moet je op de een of andere manier verteren. De een doet dat door te sporten, de ander vlucht in boeken, casual sex of wat dan ook. Een film maken, dat lijkt mij wel wat.

Als ik ooit de kans kreeg om een film te maken (Ha, ha, mythomaan, mytho-maan!!!) zou het zijn over een man die zich doodergert. In mijn film zou ik zeker enkele godsdienstfanaten laten opdraven. En een paar botteriken van collega's. Al die uitgeholde klonen, napraters en flatliners sluit ik op in een gekkenhuis in de Apennijnen, genadeloos overgeleverd aan een dieet van Emmentaler met spruiten. Maar dan wordt het een soort Rambofilm, en ik voel meer voor het underdog-image, de antiheld uit een Woody Allen film.

De paus krijgt ook een rol in mijn film. Terwijl de wereld aan zijn voeten wegzinkt staat hij op zijn balkon, de geraniums te gieten. Hij draagt een T-shirt met de geheimzinnige woorden: 'Nee, dank U, voor mij hoeft het niet.' Het wordt een erg realistische film, met geweld en AC/DC muziek. Ik mag de cast natuurlijk niet teveel overladen, want er moet nog een plaatsje zijn voor een paar ergerlijke tv-figuren en voor socialistische ministers die hun linkerkant niet meer vinden.
Mijn film zou een kanaal zijn waarlangs ik al mijn ergernis en frustratie kan laten vloeien. Misschien maak ik de protagonist wel onderwijzer. Die kan dan de hiërarchische verstarring in zijn beroep aanklagen. The bad guy zou dan uiteraard een inspecteur zijn met een ongeneeslijk machtscomplex. Misschien vraag ik de echte wel of hij zichzelf niet wil spelen. Of nee, toch niet: ik wil niet dat hij zich aan mijn ergernis verrijkt. De bijrollen worden ingevuld door Brad Pitt (om volk te lokken, die inspecteur heeft geen sex-appeal) en door Claudia Schitter, die in mijn film haar debuut maakt. Verder laat ik gewoon mijn fantasie haar gang wat gaan. De man laat ik spelen door mezelf of, als ik bezet ben, door mijn alter ego. De acteur speelt een Kafkaiaanse figuur die zich nooit durft te verzetten tegen de bureaucratie, maar liever wegvlucht in boeken. Of een film maakt. Over zichzelf. Escher speelt ook mee. Aan het begin van de film tekent hij de hand die zichzelf tekent. Dat geeft meteen wat artistieke chic aan mijn film. Er moet seks in komen, veel seks. Want de man heeft heel wat opgekropte energie die hij ergens kwijt moet. Ik laat Freud wat zwammen over sublimatie, terwijl de man Claudia Schiffer uit haar Citroën sleurt. Dan komt er een long shot. De man staat plots bij de paus op het balkon, waarna de geraniumscène volgt. Dan komt Freud weer. Hij kondigt het einde van zijn relatie met Jung aan en het einde van de film. Fade-out.